pedagogisch beleidsplan 2017-12-19T20:04:33+00:00

Pedagogisch beleidsplan

Voorwoord 

Om eenduidige en kwalitatief goede dienstverlening te kunnen bieden binnen het kinderopvangaanbod van stichting SpelenderWijs, werken wij vanuit dit pedagogisch beleidsplan. Voor de verschillende locaties en voorzieningen binnen de stichting SpelenderWijs worden separaat werkplannen ontwikkeld. Daarin staat wat het pedagogisch beleid betekent voor de dagelijkse verzorging en begeleiding van de kinderen.

Het bijzondere van de kinderopvang van stichting SpelenderWijs is dat het altijd is gekoppeld aan een basisschool van stichting IJsselgraaf, de stichting voor openbaar primair onderwijs in Doetinchem, Bronckhorst en Doesburg. Per locatie wordt gekeken welke opvangvorm wenselijk is en wordt deze integraal verbonden met de basisschool. Dit gebeurt altijd onder de regels van de wet Kinderopvang en wordt afgestemd op de leeftijdsgroep van de kinderen. Dit betekent dat er zowel sprake kan zijn van dagopvang voor kinderen van 0-4 jaar als van buitenschoolse opvang voor kinderen tussen 4-13 jaar. Dit pedagogisch beleidsplan maakt waar nodig onderscheid tussen deze vormen van opvang.

Stichting SpelenderWijs (SPELENDERWIJS) wil een eenduidige en continue opvoedkundige kwaliteit ontwikkelen en bewaken. Dit pedagogisch beleidsplan biedt de pedagogisch medewerkers een richtlijn voor het pedagogisch handelen en geeft ouders inzicht in de wijze van werken op de BSO en het kinderdagverblijf.

Ook de Wet Kinderopvang, die vanaf 2005 van kracht is, raakt (de kwaliteit van) het pedagogisch beleid. In deze wet staat:

  •  welke onderwerpen in het pedagogisch beleid opgenomen moeten zijn;
  •  hoe de GGD jaarlijks controleert op onze locaties voor opvang;
  •  dat de ouders bij het beleid betrokken moeten worden.

In dit pedagogisch beleidsplan leest u hoe SPELENDERWIJS aan deze wettelijke eisen voldoet. Naast de visie en speerpunten wordt beschreven hoe we de pedagogische basisdoelen vormgeven:

  1. het bieden van fysieke en sociaal/emotionele veiligheid (hechting en sociaal-emotionele ontwikkeling);
  2. het bevorderen van persoonlijke competentie van kinderen (jezelf)
  3. het bevorderen van de sociale competentie van kinderen (jezelf en de ander) en
  4. socialisatie door overdracht van waarden en normen (jezelf en de groep).

SpelenderWijs 

De kinderopvangvoorzieningen van SPELENDERWIJS maken soms deel uit van integrale kindcentra. Dat betekent een integratie van onderwijs en kinderopvang. In een integraal kindcentrum kiezen de gezamenlijke organisaties op het gebied van onderwijs, opvang en ontwikkeling voor een integrale aanpak. Dit betekent dat we samen met het onderwijs (en eventueel andere partners) kinderen en ouders op één adres een totaalconcept bieden. Hierbij is sprake van een doorgaande lijn, een eenduidig pedagogisch klimaat en afstemming over het activiteitenaanbod. De pedagogisch medewerkers van SPELENDERWIJS en de leerkrachten van de school vormen samen één team dat wordt aangestuurd door de directie van de school. Dit pedagogisch beleidsplan is tot stand gekomen met inspraak door de school.

Noot 

In deze notitie wordt veel gesproken over pedagogisch medewerkers. Waar vervolgens ‘zij’ staat kan ook ‘hij’ worden gelezen.

1. Visie 

We baseren ons handelen op de overtuiging dat elk kind de moeite waard is. Aandacht, acceptatie en gezien worden leiden ertoe dat kinderen zich prettig en gewaardeerd voelen. Er is ruimte voor elk kind, ieder met een eigen ontwikkeling met een eigen manier en tempo. We creëren een omgeving die kinderen motiveert om zich verder te ontwikkelen en op meer dan alleen op cognitief gebied. Autonomie en welbevinden zien we als pijlers voor een goede en gezonde ontwikkeling van kinderen. We willen bijdragen aan het groeien en bloeien van kinderen zodat zij met een positief zelfbeeld en zelfvertrouwen in de wereld komen te staan.

Het woord ‘samen’ is veelzeggend voor onze aanpak. Naast de individuele aandacht voor kinderen zijn we erop gericht om kinderen te leren om op een goede manier met elkaar om te gaan. Onze verbondenheid aan het openbaar onderwijs betekent dat we ook binnen de kinderopvang kinderen leren om rekening te houden met verschillen en andere culturen en overtuigingen te respecteren.

Dat we in een kennissamenleving leven betekent dat we in aansluiting op het onderwijs ook aandacht besteden aan vaardigheden en competenties die nodig zijn om te functioneren in de 21e eeuw. Kinderen leren altijd, overal, hun leven lang en in een verschillend tempo. Moderne technologie maakt een onmisbaar deel uit van het leerproces van kinderen. Kinderen leren steeds meer hun eigen leerproces vorm te geven en we zien hierin voor onszelf een begeleidende en coachende rol weggelegd.

2. Speerpunten 

  • SPELENDERWIJS biedt elk kind de ruimte om zich op zijn eigen manier en tempo te ontwikkelen in een veilige en vertrouwde omgeving. De pedagogisch medewerkers stimuleren de emotionele, sociale, creatieve, lichamelijke en verstandelijke ontwikkeling van het kind.
  • Een goede relatie tussen pedagogisch medewerker en kind is belangrijk, evenals een goede samenwerking tussen pedagogisch medewerker en ouders. Ouders zijn hoofdverantwoordelijk voor de opvoeding. De pedagogisch medewerkers delen deze verantwoordelijkheid met de ouders.
  • Binnen SPELENDERWIJS worden bij de opvoeding algemeen aanvaarde regels en normen gehanteerd. Pedagogisch medewerkers gaan op een opbouwende en stimulerende manier om met het gedrag en de emoties van de kinderen. Deze positieve opvoedingsaanpak draagt bij aan het zelfvertrouwen en positieve zelfbeeld van kinderen.
  • Kinderen worden gestimuleerd dagelijks buiten te spelen en er worden creatieve, muzikale, bewegings-, taal- en denkactiviteiten georganiseerd.
  • Talentontwikkeling van kinderen is een speerpunt. Een activiteitenaanbod wordt in afstemming met de school waaraan de kinderopvang verbonden is, ontwikkeld. Dat betekent dat we de ontwikkeling van kinderen volgen en aansluiten op datgene waar ze goed in zijn of wat ze leuk vinden om te doen en waar zij zich verder in willen ontwikkelen.
  • Elke locatie van SPELENDERWIJS voldoet aan alle eisen op het gebied van (brand-) veiligheid en hygiëne. Er is een beleid op hygiëne, een calamiteitenplan en een aantal pedagogisch medewerkers per locatie zijn in het bezit van het certificaat Bedrijfshulpverlener.

3. Fysieke en emotionele veiligheid 

3.1 Voor jonge kinderen 

In het kinderdagverblijf bieden we verzorging, begeleiding en opvoeding aan kinderen van 0-4 jaar. Daarmee stellen we ouders in staat om taken buitenshuis uit te voeren. Voor deze jonge kinderen richten we een warme en schone omgeving in en we zorgen voor een klimaat waarin kinderen zich geliefd en geaccepteerd voelen. De omgeving is veilig, overzichtelijk en duidelijk. Veilig door de juiste veiligheidsmaatregelen te nemen en te werken met vaste groepen en vaste pedagogisch medewerkers. Zij bouwen een persoonlijke relatie op met de kinderen. Duidelijkheid door te kiezen voor een vaste dagindeling waarin er vaste momenten zijn voor eten, drinken en activiteiten. Met de vaste gewoonten die ouders ook kennen is de opvang voor kinderen een herkenbare en veilige plek. We zorgen er ook voor dat de pedagogische medewerkers altijd gezien of gehoord worden door anderen in het gebouw.

3.2 Buiten schooltijd 

Na schooltijd komen kinderen tussen 4-13 jaar naar de opvang. Hoewel kinderen altijd leren, is er verschil tussen onderwijstijd en vrije tijd en willen we afwisseling bieden in het dagritme van kinderen. Kinderen die het fijn vinden om alleen te zijn en om zelf te kiezen wat ze willen doen krijgen daarvoor de ruimte na de start in de stamgroep. We zorgen voor een schone, opgeruimde en veilige omgeving die gezellig is ingericht. Kinderen die behoefte hebben aan meer sturing bieden we activiteiten aan.

Het pedagogisch klimaat in het gebouw waarin opvang en onderwijs plaatsvinden is afgestemd. We geloven dat eenzelfde aanpak en benadering van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat bijdraagt aan een herkenbare en veilige omgeving voor kinderen. Dat biedt een essentiële basis.

3.3 Onze benadering van alle kinderen 

Onze benadering kenmerkt zich door positieve aandacht en actief luisteren. Onze basishouding naar kinderen is warm en belangstellend. We vinden het belangrijk dat een kind zich thuis voelt op de opvang. We bieden individuele aandacht aan kinderen én hebben aandacht voor het groepsproces. Een kind dat zich prettig en geaccepteerd voelt op de opvang en in de groep, zal zich positief ontwikkelen en kunnen profiteren van alle nieuwe kansen en uitdagingen die de opvang biedt. Welbevinden zien we als een pijler voor een goede en gezonde ontwikkeling van kinderen. We streven ernaar om bij te dragen aan het welbevinden en een positief zelfbeeld van kinderen, zodat zij met zelfvertrouwen in de wereld komen te staan.

4. Persoonlijke competenties 

Bij de ontwikkeling van de persoonlijke competenties gaat het wat ons betreft zowel om de ontwikkeling van de persoonlijkheid van kinderen als om de ontwikkeling van hun kennis, kunde, vaardigheden en talenten. Persoonlijkheidsontwikkeling betreft zaken als steeds beter zelfstandig kunnen zijn, zelfverantwoordelijkheid dragen, een eigen identiteit ontwikkelen en sensitiviteit voor wat gepast is en ongepast. Vertrouwen op je intuïtie en weten wat wel en niet bij je past omdat je in staat bent tot zelfreflectie.

Er wordt aandacht besteed aan persoonlijke verhalen en het kind wordt gestimuleerd zich te uiten en eigen keuzes te maken. De pedagogische medewerker waardeert onderlinge verschillen tussen de kinderen in bijvoorbeeld voorkeur voor activiteiten, tempo en spontaniteit. Talentontwikkeling kan op allerlei gebieden plaatsvinden: intellectueel, lichamelijk of creatief terrein.

In onze benadering en activiteiten zijn we gericht op het stimuleren van competenties die worden benoemd als de 21e eeuwse vaardigheden. We willen onze kinderen helpen om zich voor te bereiden op de toekomst; we willen bijdragen aan vaardigheden waarmee ze zich goed kunnen redden en goed voorbereid door kunnen stromen naar (hoger) vervolgonderwijs. Het gaat hierbij om de volgende competenties:

  •  Samenwerken;
  •  Kennisconstructie;
  •  ICT gebruik voor leren en ontwikkelen;
  •  Probleemoplossend denken en creativiteit ;
  •  Planmatig werken.

De voorkeur van een kind is leidend, want daar doet het kind ervaring mee op en daar leert het van. Het is juist de vrijheid in de BSO die iets unieks kan bijdragen aan de persoonlijkheidsontwikkeling van kinderen. Ze leren zelfstandigheid, zelfvertrouwen, flexibiliteit, keuzes maken, een probleem creatief aanpakken en je aanpassen aan omstandigheden. De pedagogisch medewerkers hebben oog voor wat het kind nodig heeft om te groeien en zijn in staat hierop te anticiperen. Ze houden in het oog dat kinderen door de jaren heen steeds zelfstandiger worden. Er zijn diverse speelhoeken en materialen die daarvoor tot hun beschikking staan.

5. Sociale competentie 

Het ontwikkelen van sociale vaardigheden vinden we belangrijk. Hierbij gaat het om het aanleren van gedrag dat bijdraagt aan een goede omgang met elkaar. Daarom besteden we aandacht aan competenties als luisteren, samenwerken, elkaar helpen, elkaar waarderen. Het gaat ons ook om het leren van het maken van weloverwogen keuzes: wat wil ik? Met wie wil ik spelen? Wat wil ik doen? Wat als mijn vriendje wat anders wil doen? Hoe maak ik ruzie? Hoe maak ik het goed? Kan ik dat of heb ik hulp nodig? Hoe sluit ik aan bij een groepje? Hoe vraag ik of ik mee mag doen? En hoe gedraag ik me als het antwoord tegenvalt? Ieder kind regelt dit op eigen wijze. Waar het ene kind gemakkelijk om kan gaan met (nieuwe) situaties kan een ander kind dat knap lastig vinden. Kinderopvang biedt volop gelegenheid om jezelf te ontdekken in relatie tot anderen. Het kind leert grenzen van zichzelf en anderen kennen en om daarmee om te gaan. Ze leren om te gaan met andere belangen en behoeften. Het kind kan op een gegeven moment samen met een vriendje apart een spelletje doen zonder direct toezicht van een volwassene. Met deze werkwijze sluit de kinderopvang aan op de werkwijze van de Kanjertraining, waarmee ook veel IJsselgraafscholen werken. Dit is een weerbaarheidstraining voor kinderen, die gericht is op vertrouwen in jezelf en in een ander.

6. Socialisatie en overdracht van normen en waarden 

Waarden zijn ideeën of opvattingen die aangeven hoe belangrijk mensen iets vinden en zijn onmiskenbaar cultuurgebonden. Ze veranderen in de loop van de tijd en variëren van samenleving tot samenleving. Normen vertalen de waarden in regels en voorschriften. Een waarde is bijvoorbeeld respect hebben voor elkaar. Een norm is dat lijfelijke agressie niet wordt toegestaan. De culturele overdracht hoort er in de kinderopvang ook bij zoals Koningsdag viering, de avond 4 daagse, feesten, tradities, kledingcodes en gewoontes, enz. In feite vormt de kinderopvang ook een samenleving op zichzelf met een bredere samenstelling dan een gezin. Ieder kind heeft zijn eigen cultuur en achtergrond al dan niet met een eigen rugzakje aan leuke en minder leuke ervaringen. Dat maakt dat er een brede mix komt van sociale achtergronden, leefstijlen en omgangsvormen. Kinderen krijgen kans om kennis te maken met diversiteit binnen onze samenleving. Overigens geldt dit tevens voor ouders en pedagogische medewerkers. Daarin krijgen ze veel vrijheid. Maar die vrijheid moet passend zijn binnen de mogelijkheden en regels die gelden binnen de buitenschoolse opvang en dus ook binnen het gehele educatieve centrum/ integraal kindcentrum.

De kinderen mogen meedenken over de gang van zaken en zijn medeverantwoordelijk voor activiteiten. We geven daarmee vorm aan de waarden ‘betrokkenheid’ en ‘medezeggenschap en participatie’. Hierdoor gaan kinderen ervaren dat besluiten consequenties hebben en wat het betekent om verantwoordelijkheid te dragen.

Afspraak = afspraak is een norm die we aanleren. De achterliggende waarde daarvan is dat kinderen leren betrouwbaar te zijn. De pedagogisch medewerker staat hiermee voor de taak om uitleg te kunnen geven over het nut van een regel of afspraak. Ook moet zij kunnen reflecteren en zich flexibel opstellen om te discussiëren over regels. Om ze eventueel te herzien of aan te passen aan de situatie.

We hanteren heldere huisregels en laten deze aansluiten op het onderwijs en wat ouders vinden. Zo schreeuwen we niet naar elkaar. Dat betekent dat we naar de persoon toe gaan als we iets willen zeggen. De kracht van herhaling van eenzelfde regel geeft een goed resultaat. Niet schreeuwen binnen school, niet schreeuwen thuis maakt dat de regel herkenbaar wordt in verschillende situaties.

7. Opvang in de groep 

7.1 Emotionele veiligheid en sociale ontwikkeling 

Kinderen voelen zich prettig in de groep als ze zich veilig voelen en zich deel voelen van de groep. De pedagogisch medewerkers besteden daarom in de opvang veel aandacht aan omgang met elkaar en de samenhang in de groep.

Binnen de kinderopvang is de leeftijdsgroep gedifferentieerder dan binnen een klas op school. De groepssamenstelling bestaat uit kinderen die in leeftijd variëren. De wisselwerking tussen oudere en jongere kinderen in een groep zien we als een positieve bijdrage aan de sociale vorming van de kinderen. De kinderen worden gestimuleerd om contact te maken met andere kinderen en elkaar te helpen als iets niet lukt.

We maken gebruik van tutoring in de groep. Oudere kinderen worden de tutor van een jonger kind. Dit betekent dat jonge kinderen wegwijs worden gemaakt in de opvang door een ouder kind in de groep. Oudere kinderen leren verantwoordelijkheid te nemen voor een jonger kind. We zien dat dit positieve effecten heeft op de ontwikkeling van de kinderen. Over en weer leren kinderen van elkaar. Want overleggen en afspraken maken is een manier, waarbij je als kind leert om voor jezelf op te komen, zonder het belang van een ander kind te schaden.

We vinden interactie belangrijk, dat kinderen aandacht hebben voor elkaar, door ze bijvoorbeeld te vragen of ze gehoord hebben wat een kind heeft verteld en complimenten te geven aan elkaar. Veel omgangsregels gaan haast “vanzelfsprekend” door het groepsgebeuren, kinderen leren van elkaar wat wel of niet kan. In het omgaan met de groep hebben we hier expliciet aandacht voor.

7.2 Grootte van de groep bij de dagopvang 

In de Wet Kinderopvang zijn regels vastgelegd voor het maximale aantal -gelijktijdig aanwezige- kinderen dat een pedagogisch medewerker binnen een stamgroep mag opvangen. SPELENDERWIJS hanteert de wettelijke kaders voor maximale omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen, zoals die is vastgesteld in de Wet Kinderopvang en het Convenant Kwaliteit Kinderopvang.

Deze zijn als volgt:

  •  een pedagogisch medewerker per vier aanwezige kinderen tot 1 jaar;
  •  een pedagogisch medewerker per vijf aanwezige kinderen van 1 tot 2 jaar;
  •  een pedagogisch medewerker per acht aanwezige kinderen van 2 tot 4 jaar en

De kinderen worden opgevangen in horizontale of verticale groepen. Bij het plaatsen van kinderen op de kinderdagverblijven wordt rekening gehouden met een evenwichtige samenstelling van de groep. Het aantal kinderen en pedagogisch medewerkers per groep wordt berekend op basis van de leeftijd van de kinderen. Per locatie is er een pedagogisch werkplan opgesteld waarin nadere informatie van de betreffende locatie is opgenomen en ook de pedagogisch medewerker-kindratio voor de locatie in is uitgewerkt. Vanwege de kleinschaligheid van de opvang zullen de kinderen met niet meer dan drie vaste beroepskrachten te maken krijgen. We dragen er zorg voor dat een volwassene telefonisch bereikbaar is en binnen 15 minuten aanwezig kan zijn bij calamiteiten.

7.3 Grootte van de BSO-groep 

In de Wet Kinderopvang zijn regels vastgelegd voor het maximale aantal – gelijktijdig aanwezige – kinderen dat één pedagogisch medewerker binnen een basisgroep van de BSO mag opvangen. SPELENDERWIJS hanteert de wettelijke kaders voor maximale omvang en leeftijdsopbouw van de basisgroepen, zoals die is vastgesteld in de Wet Kinderopvang. Deze zijn als volgt:

  • één pedagogisch medewerker per tien (aanwezige) kinderen;
  • als een basisgroep bestaat uit kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar of 4 tot en met 12 jaar, dan is de maximale groepsgrootte 20 kinderen, deze wordt begeleid door twee pedagogisch medewerkers en
  • als een basisgroep bestaat uit kinderen in de leeftijd van 8 tot 13 jaar, dan geldt een maximale groepsgrootte van 30 kinderen en drie pedagogisch medewerkers. In deze leeftijdscategorie is het toegestaan is het toegestaan om in plaats van een pedagogisch medewerker, een extra volwassene in te zetten als derde beroepskracht.

We dragen er zorg voor dat een volwassene telefonisch bereikbaar is en binnen 15 minuten aanwezig kan zijn bij calamiteiten.

7.4 Stamgroep en basisgroep 

We vinden het belangrijk dat kinderen een veilige basis kennen in de dagopvang en de BSO. We werken daarom, afhankelijk van het aantal kinderen, in vaste stamgroepen in de dagopvang en met basisgroepen in de BSO. Deze worden begeleid door ‘eigen’ pedagogisch medewerkers, behoudens ziekte, verlof of vakantie. Kinderen in de dagopvang maken maximaal van twee stamgroepruimtes gebruik gedurende een week. De basisgroepen in de BSO zijn niet ruimte gebonden.

Als het nodig is om een kind tijdelijk in een andere stamgroep of basisgroep op te vangen, dan wordt dat overlegd met ouders. De duur van de opvang in een ander groep is nooit langer dan wat met de ouders overeengekomen is.

7.5 Samenvoegen van groepen 

Tijdens opvang gedurende vrije dagen kan het voorkomen dat stamgroepen en basisgroepen samengevoegd worden vanwege een lage (kind)bezetting. Dan is er voor kinderen ook meer keus om met andere kinderen te spelen. Ook is het gemakkelijker om activiteiten te organiseren. Dit wordt altijd gemeld aan ouders. U leest hier meer over in het pedagogisch werkplan op de locatie.

7.6 Leeftijdsopbouw 

De leeftijdsopbouw en indeling van de basisgroepen, kan per locatie variëren. Op iedere locatie wordt gekozen voor de meest geschikte vorm van groepsindeling. Er kan gewerkt worden met verticale groepen van kinderen in de leeftijd 0-4 of van 4 tot 13 jaar. Basisgroepen kunnen ook per leeftijdsgroep worden ingedeeld in een jonge (midden) en oudere groep. Naast de momenten in de basisgroep, bieden we kinderen alle gelegenheid om te spelen met leeftijdsgenootjes of kinderen uit een andere basisgroep tijdens het vrij spel of tijdens een georganiseerde activiteit.

7.7 Vierogenprincipe 

De kinderopvang moet voorkomen dat beroepskrachten zich met één of meerdere kinderen kunnen isoleren. Deze maatregel is vertaald als ‘meer ogen op de groep’, ‘meer oren in de groep’ en ‘transparantie van de ruimtes’. Dit houdt in dat er altijd een volwassene moet kunnen meekijken of meeluisteren met een pedagogisch medewerker. Dit betekent niet dat er continue een andere volwassene aanwezig moet zijn, maar dat er op ieder willekeurig moment controle is.

7.8 De ondersteuning indien slechts 1 beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is. 

Het kan voorkomen dat de medewerker alleen in het gebouw is met een groep(je) kinderen. Het gaat hier om het tijdstip van 17.00 – 18.30 uur. Dit is echter de periode waarop voortdurend ouders/verzorgers onverwacht binnenkomen om hun kind(eren) op te halen. Daarnaast is de schoonmaakdienst rond deze tijd ook aanwezig in het gebouw.

8. Het pedagogisch handelen 

De pedagogisch medewerkers zijn de spil waar het pedagogisch beleid om draait. De kwaliteit van de opvang wordt door hun handelen en behandelen bepaald. Zij zorgen voor een veilige en prettige omgeving en begeleiden de kinderen bij het leren en ontwikkelen.

Ouders tekenen voor het overdragen van een stukje opvoeding aan de pedagogisch medewerkers. Dat we werken vanuit dat gegeven betekent een verantwoordelijkheid die we diep voelen en serieus nemen.

8.1 De kwaliteit van de medewerkers 

Werken in de opvang vraagt van de pedagogische medewerker een adequate begeleiding en een sensitieve opstelling. De kwaliteit van de pedagogisch medewerker wordt gekenmerkt door:

  • Sensitieve responsiviteit. De pedagogisch medewerker is alert op de signalen die een kind afgeeft en reageert daar adequaat op. Ze ziet, hoort en erkent het kind. Een kind heeft anderen nodig om zich goed te ontwikkelen.
  • Het bieden van structuur en grenzen. De pedagogisch medewerker bemiddelt bij conflicten en begeleidt bij het aangeven van grenzen en het oplossen van problemen. Ze stelt duidelijke regels en leeft deze na.
  • Het werken vanuit een basishouding van respect en liefdevolle omgang. Kinderen zijn, afhankelijk van hun leeftijd, in meer of mindere mate afhankelijk van de pedagogisch medewerker. Zij weet dat en zij houdt rekening met het verschil in autonomie waar kinderen behoefte aan hebben.
  • Verbale communicatie. In het werken met kinderen is er veel aandacht voor de taalontwikkeling. Taal is het voertuig waardoor we de wereld, onszelf en anderen leren begrijpen. De pedagogisch medewerker luistert met aandacht naar de kinderen en reageert daar actief op. De pedagogisch medewerker beheerst de Nederlands taal goed, spreekt kinderen waar nodig aan op gedrag en houding, beloont en waardeert verbaal en moedigt verbale communicatie tussen kinderen aan.
  • Het stimuleren van de (groeps)ontwikkeling. De pedagogisch medewerker kent de kinderen en kan inschatten wat een kind aankan. Ze stemt de begeleiding af op de behoefte van één of meerdere kinderen. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat een medewerker alleen de spelregels van een spel hoeft uit te leggen of ook juist begeleiding biedt tijdens het spel. De pedagogisch medewerker heeft kennis van groepsontwikkeling en begrip voor het belang van de peer-group bij oudere kinderen.
  • Rolmodel. In dit alles is de pedagogisch medewerker zich bewust van haar positie als rolmodel. Voordoen is nadoen.

8.2 Consequenties 

De pedagogische medewerkers benaderen de kinderen op een liefdevolle positieve manier en bevestigen het kind. Dit doen zij bijvoorbeeld door het gedrag van het kind te bevestigen als zij iets goed doen. Er worden heldere afspraken gehanteerd die betrekking hebben op bijvoorbeeld het omgaan met elkaar, hygiëne en veiligheid. Afspraak is afspraak en daar houden we ons allemaal aan. Wanneer een kind iets niet mag en hij/zij doet het toch, dan legt de pedagogische medewerker uit waarom dit niet mag. Soms heeft gedrag een bepaalde consequentie. Deze wordt uitgelegd zodat het kind begrijpt om welke gedrag het hierbij gaat en waarom. Dit gebeurt direct, is kort (niet langer dan een paar minuten) en uiteraard niet fysiek. De consequentie kan bestaan uit even apart zitten en tot rust komen. De handeling van het kind wordt hiermee gestopt of wordt voorkomen.

Hierna wordt het weer goed gemaakt tussen pedagogisch medewerker en kind, en kan het kind weer spelen. Uitgangspunt is dat het ongewenste gedrag wordt benoemd en afgekeurd, maar niet het kind zelf. De pedagogische medewerker houdt in het oog hoe het spel en onderlinge communicatie verloopt.

8.3 Het volgen van kinderen 

Gedurende het jaar worden kinderen door de pedagogisch medewerkers geobserveerd. Eenmaal per jaar wordt van deze observatiemomenten een observatieformulier ingevuld. Het uitgangspunt van deze observatie is niet het opsporen van problemen, maar het doel van de observaties is het meten van het welbevinden van het individuele kind binnen de groep. In geval van zorgen om een kind kan hetzelfde instrument gehanteerd worden om een objectief beeld te krijgen van de (mogelijke) problematiek. Voor een extra observatie buiten de gebruikelijke observatie wordt toestemming gevraagd aan de ouders.

Op het moment dat het verblijf van het kind op de dagopvang stopt, wordt de meest recente observatie, met toestemming van de ouders/ verzorgers, aan de leerkracht van de basisschool die het kind zal gaan bezoeken gegeven. De ouders ontvangen een kopie. Als het kind bij het verlaten van het kinderdagverblijf nog geen 4 jaar is, dan krijgen de ouders de observatie mee naar huis. Elk jaar worden 10-minutengesprekken georganiseerd voor ouders die dit wensen (het is niet verplicht). Hiervan wordt een verslag gemaakt dat wordt bewaard. De ouders ontvangen desgewenst een kopie. Indien er behoefte is aan een extra gesprek en/of observatie kunnen ouders hierom vragen.

8.4 Zieke kinderen 

De opvang is niet berekend op zieke kinderen en deze mogen niet naar de opvang komen. Als een kind ziek wordt tijdens de opvanguren wordt ouders gevraagd het kind op te halen. Als een kind zich niet lekker voelt wordt contact opgenomen met de ouders en overlegd over wel of niet halen. De beslissing of een kind in de groep kan blijven wordt genomen door de pedagogisch medewerker. Dit wordt in relatie gebracht tot het belang van kind. Een ziek kind heeft extra aandacht en extra verzorging nodig die de opvang niet kan bieden. Een kind moet worden opgehaald, als:

  1. Het kind te ziek is om aan het dagprogramma mee te doen
  2. De verzorging te intensief is voor de pedagogisch medewerker
  3. Het de gezondheid van andere kinderen in gevaar brengt.

9. Activiteiten in de opvang 

9.1 Activiteiten 0-4 jaar 

9.1.1 De dagindeling in de opvang 0-4 

Voor de baby’s staat een groot deel van de dag in het teken van verzorging. Tijdens de verzorging wordt met de kinderen gepraat, gezongen en geknuffeld. Zodra de baby’s kunnen zitten, nemen ze deel aan de kring waarin liedjes worden gezongen. Het aanbod van speelgoed wordt aangepast op de leeftijd. Er wordt voldoende variatie aangeboden. Als het weer het toelaat wordt er ook met de allerkleinsten naar buiten gegaan. De allerkleinsten worden in de wagen gelegd en indien de mogelijkheid zich voordoet, wordt er gewandeld.

Voor de oudere kinderen wordt ’s ochtends en ’s middags een activiteit aangeboden. Dat is leuk en ontspannend maar ook een goede manier om de verschillende ontwikkelingsgebieden te stimuleren. De sociale vaardigheden krijgen hierbij aandacht. Bij het spel speelt de pedagogisch medewerkster een actieve rol speelt. Vaak doet ze mee, maar ze kan ook kiezen voor het op weg helpen en even afstand nemen. Er is afwisseling tussen een activiteit die kinderen bedenken en/of willen doen of de activiteiten die de pedagogisch medewerker bedenkt. Kinderen die niet willen hoeven niet mee te doen. Buiten spelen vinden we belangrijk en bij mooi weer zijn we dus veel buiten te vinden. Daar kunnen de kinderen fietsen, schommelen, glijden, met zand en, bij warm weer, met water spelen.

Bij sommige activiteiten zullen er kinderen zijn die de stamgroep verlaten. Een voorbeeld hiervan is het samenvoegen van de 3+ kinderen met de jongste BSO-kinderen kinderen gedurende de dag. Op die momenten besteden we bijvoorbeeld aandacht aan taalvaardigheid of motorische vaardigheid, maar het kan ook een samenspelmoment zijn. Door het samenvoegen van deze groepen kinderen ontstaat een situatie waarin de kinderen van elkaar kunnen leren en de sociale competenties nog beter tot ontwikkeling komen. Daarnaast is er veel ruimte voor alle kinderen om zelf te spelen. We vinden het niet wenselijk om kinderen de hele dag bezig te houden.

In de opvang hebben we specifiek aandacht voor leesbevordering en taalstimulering. Voorlezen draagt bij aan de ontwikkeling van een gevarieerde woordenschat en het prikkelt fantasie. Voor de groep heeft het betekenis qua saamhorigheid en als rustpunt op de dag. Taalstimulering, leesbevordering en begrijpend lezen zijn belangrijke elementen voor het succes van kinderen in hun schoolcarrière. Daar willen we aan bijdragen.

9.1.2 Eten en drinken 

Het eten wordt gezien als een sociaal groepsgebeuren. Het gaat niet alleen om het eten maar ook om het contact met elkaar. Het is een gezellig rustpunt op de dag waarbij aandacht wordt besteed aan eenvoudige tafelmanieren en de motorische en sociale ontwikkeling wordt gestimuleerd. Hierbij zijn de volgende regels opgesteld, dit alles natuurlijk afhankelijk van de leeftijd en ontwikkelingsfase van het kind:

  •  eerste boterham met hartig beleg;
  •  eten met een vorkje;
  •  aan tafel blijven tot iedereen klaar is;
  •  kiezen van beleg, (karne)melk, hele of halve boterhammen;
  •  eerst even proeven voordat je roept dat je iets niet lust.

Het eten en drinken wordt niet aan de kinderen opgedrongen; eten hoort iets leuks te blijven. Al proberen we kinderen wel te stimuleren hun bord en beker leeg te maken. Hierbij staat het prijzen van positief en het negeren van negatief gedrag voorop. We streven ernaar kinderen vanaf ongeveer 9 maanden uit een tuitbeker te laten drinken en bij de 2e verjaardag willen we graag dat het een gewone beker is.

We houden rekening met diëten, allergieën, geloofsovertuigingen en met wat kinderen echt niet lusten. De voedingsmiddelen worden wekelijks besteld bij vaste leveranciers. Er wordt vers brood en fruit geleverd. We zien er op toe dat beperkt houdbare levensmiddelen tijdig weggegooid worden. Hoe we hier omgaan qua hygiëne rond om eten en drinken staat in het protocol Hygiëne en gezondheid.

9.1.3 Slapen en rusten 

De jongste kinderen gaan volgens hun eigen slaapritme naar bed, dit ritme wordt tijdens het welkomstgesprek met de ouder(s) doorgesproken. De oudere kinderen slapen in principe tussen 13.00 en 15.00 uur. Baby’s en jonge dreumesen slapen bovenin in bedjes met een dakje. Oude dreumesen en peuters slapen onderin de stapelbedjes. Spenen en/of knuffels worden van thuis meegenomen. Kinderen kunnen als zij moe zijn ook op de bank of op een relaxkussen uitrusten. In het kindcentrum kunnen kinderen van groep 1 komen uitrusten in de opvang als ze dat nog even nodig hebben.

9.1.4 Verschonen, toiletgang en zindelijk worden 

Wij werken met vaste verschoonrondes (bijvoorbeeld voor en/of na het slapen, voor het ophalen), maar laten een kind nooit met een vieze luier lopen tot ‘het moment’. Volle plasluiers en poepbroeken worden altijd direct verschoond!

Zindelijkheid is een grote stap op weg naar zelfstandigheid. Van jongs af aan maken we de kinderen vertrouwd met luiers en de wc. Vanaf ongeveer 1 jaar worden de kinderen naar behoefte al op de wc gezet bij de dagelijks verschoningsrondes. Zo wordt verschonen / wc zitten / een steeds terugkerend gezamenlijk gebeuren waarbij de grotere kinderen een voorbeeld zijn voor de kleintjes.

Wij gaan er vanuit dat het kind zindelijk wordt als het daar zelf aan toe is. Vanaf het moment dat de pedagogisch medewerker merkt dat het kind hier bewuster mee omgaat, speelt zij hierop in. Dit gebeurt o.a. door het prijzen van de plasjes op de wc en regelmatig te vragen of het kind moet plassen. Hierbij vinden wij het belangrijk om dit in overleg met de ouders te doen. De basisschool stelt de eis dat het kind zindelijk moet zijn om te worden toegelaten. Mocht een kind van 3,5 jaar nog niet bewust bezig zijn met zindelijk worden, dan zal hier vanuit de pedagogisch medewerker meer aandacht aan worden besteed. Het kind zal vaker op de wc gezet worden en gestimuleerd worden daar ook iets te doen. De nadruk zal altijd blijven liggen op het prijzen van positief gedrag en het negeren van negatief gedrag. Het kind zonder luier laten gebeurt altijd in overleg met de ouders.

9.2 De activiteiten in de opvang voor 4-13 jaar 

9.2.1 Starten in de basisgroep bij voorschoolse opvang en naschoolse opvang 

Bij de voorschoolse opvang staat voorop dat de kinderen rustig aan de dag beginnen voordat ze de klas in gaan. Het ene kind heeft nog even tijd nodig om wakker te worden, het andere is al volop in touw. Niets moet is hierbij het motto. De kleuters worden naar de klas gebracht door de pedagogisch medewerker, de oudere kinderen lopen zelf naar de klas.

Bij aankomst na schooltijd bij de BSO mogen kinderen even ontladen van de dag op school en iets voor zichzelf doen. Daarna gaan we samen in de hele groep iets drinken met wat fruit. Daarna gaan we- als het weer het toelaat- buitenspelen. Ook ondernemen we elke dag wat. Knutselen, sporten, samen iets lekkers maken, spelletjes doen zijn dan onder andere de mogelijkheden.

9.2.2 Georganiseerde activiteiten binnen de BSO 

De pedagogisch medewerkers plannen en bedenken activiteiten waarbij alle competenties van kinderen worden gestimuleerd. Op alle ontwikkelingsgebieden worden kinderen aangemoedigd om speel-leerervaringen op te doen.

Medewerkers bedenken met welk doel een activiteit wordt ingezet en welke competenties er door worden aangesproken. Ze worden op tijd in een planning gezet en per week opgehangen zodat ouders en kinderen kunnen zien wat er op het programma staat. In het geval van de georganiseerde activiteiten worden de activiteiten vooraf geprogrammeerd en ligt het initiatief bij de pedagogisch medewerker. Het betekent soms dat kinderen hun basisgroep verlaten en in dat geval wordt het goed met elkaar omgaan door de pedagogisch medewerker goed bewaakt. Tijdens het uitvoeren van de activiteit kijkt de medewerker goed naar hoe het spel zich ontwikkelt en houdt ze rekening met interesses en tempo van kinderen. Daardoor benut of creëert ze kansen voor kinderen. De georganiseerde activiteiten hebben een vrijblijvend karakter: je mag meedoen maar het hoeft niet. Vanwege de kleinschaligheid van de opvang hebben we niet te maken met groepen groter dan dertig kinderen die deelnemen aan een activiteit.

9.2.3 Doorgaande lijn in activiteiten en talentontwikkeling binnen de BSO 

BSO en school sluiten nauw op elkaar aan in pedagogische benadering én in activiteiten. Dat betekent dat er uitwisseling is tussen leerkrachten en pedagogisch medewerkers over thema’s die de school behandelt en waar ook tijd en aandacht aan wordt besteedt in de naschoolse tijd. De school is hierin leidend. Niet alle kinderen zitten op de BSO en daarom wordt in de naschoolse tijd waar mogelijk op een leuke manier aandacht besteed aan actuele thema’s. Daarbij is geen sprake van activiteiten waarmee onderwijsdoelen worden behaald. De activiteiten vormen een extra verrijking voor kinderen en zijn een aanvulling op het schoolse aanbod. Sommige activiteiten worden daarom ook opengesteld voor kinderen van specifieke groepen.

9.2.4 Vrij spel binnen de BSO 

Gedurende de tijd in de BSO is er ook sprake van vrij spel naast de georganiseerde activiteiten. Op die momenten kunnen kinderen zelf kiezen wat we ze willen doen. Ook op die momenten kijkt de pedagogisch medewerker mee. Wanneer nodig zal ze ingrijpen, hetzij in het proces van samen spelen, hetzij om de interesse van kinderen weer op te wekken of om regels duidelijk te maken.

Medewerkers stimuleren het samenspel van de kinderen en respecteren dit door niet onnodig binnen te dringen in dat spel. Ze geven de kinderen de gelegenheid om hun onderlinge botsingen samen op te lossen omdat kinderen daar van leren hoe ze met anderen om kunnen gaan. Als de kinderen er samen niet uitkomen, bieden ze steun bij het vinden van een oplossing.

9.2.5 21e eeuwse vaardigheden binnen de BSO 

In de activiteiten die de BSO aanbiedt, zowel georganiseerd als in het vrije spel, wordt door de pedagogisch medewerkers gelet op het inbrengen van elementen die behoren tot de 21e eeuwse vaardigheden. Dat betekent dat activiteiten worden aangeboden die de vaardigheden van kinderen vergroten op de gebieden genoemd in paragraaf 4. Hierbij gaat het om:

  • Vaardigheid ‘Samenwerking’. Bij deze vaardigheid wordt uitgegaan van activiteiten die er op gericht zijn om kinderen samen te laten werken. Nadruk ligt dan vooral op de kwaliteit van de samenwerking. Dan gaat het om het delen van verantwoordelijkheid. Hierbij leren de kinderen om te onderhandelen, de taken te verdelen, te luisteren naar de ideeën van anderen om zo tot een gezamenlijk product te komen. Kinderen leren hiervan dat ze elkaar nodig hebben om iets tot stand te brengen.
  • Vaardigheid ‘Kennisconstructie’. Kennisconstructie betekent dat een activiteit onderdelen bevat waarbij kinderen nieuwe informatie en inzichten kunnen combineren met wat ze al weten. Bijvoorbeeld door het doen van onderzoek, analyse en evaluatie. Een activiteit wordt sterker wanneer er diverse kennisgebieden worden aangesproken, bijvoorbeeld als er sprake is van integratie van rekenen, biologie en muziek.
  • Vaardigheid ICT gebruik voor leren. In activiteiten willen we ook gebruik maken van elementen waarbij ict een belangrijke rol speelt. Bijvoorbeeld door computers, laptops, smartphones, tablets, maar ook digitale videorecorders en fotocamera’s te gebruiken. Deze vaardigheid kent dan ook een sterke samenhang met de vaardigheid ‘kennisconstructie’. Op deze manier leren kinderen informatie te verzamelen en aan en elkaar te koppelen.
  • Vaardigheid probleemoplossend denken en creativiteit. In het ontwerp van georganiseerde activiteiten wordt aandacht besteed aan elementen waarbij een beroep wordt gedaan op het probleemoplossend vermogen en de creativiteit van leerlingen. Te denken valt aan het zoeken van oplossingen voor een nieuw probleem, het afronden van een taak zonder instructies over de te volgen aanpak of het samenstellen van een complex product dat voldoet aan een aantal vooraf gestelde eisen.
  • Vaardigheid planmatig werken. Bij planmatig werken worden elementen in activiteiten ingebracht die te maken hebben met zelfsturing. Bijvoorbeeld door een product te ontwerpen waarbij sprake is van activiteiten op meerdere dagen of momenten. Kinderen zijn dan zelf verantwoordelijk voor planning, kwaliteitsbewaking en uiteindelijke zelfevaluatie en reflectie.

9.2.6 Talentontwikkeling 

Talentontwikkeling van kinderen is een speerpunt. Zoals beschreven wordt het activiteitenaanbod ook in afstemming met de school waaraan de BSO verbonden is, ontwikkeld. Dat betekent tevens dat we de ontwikkeling van kinderen met henzelf, hun ouders en de school bespreken. Zo kunnen we in de naschoolse tijd specifiek aansluiten op datgene waar kinderen goed in zijn of wat ze leuk vinden om te doen en waar zij zich verder in willen ontwikkelen.

9.2.7 Materialen om mee te spelen 

Bij verschillende leeftijden horen verschillende ontwikkelingsfasen. Dat vereist van de pedagogisch medewerkers een aanpassing van het gedrag in relatie tot de verschillende leeftijdsgroepen en het organiseren van passende activiteiten. Dat vereist ook zorg voor adequaat en passend spel– en ontwikkelingsmateriaal. Het is tevens belangrijk om te weten welke materialen geschikt zijn. De ontwikkeling van kinderen verloopt echter lang niet altijd in hetzelfde tempo. Soms maken kinderen op een bepaald gebied ineens een groeispurt. Daarom is het belangrijk dat kennis van verschillende ontwikkelingsfasen wordt gekoppeld aan informatie over individuele kinderen door observatie. Wanneer dat gebeurt worden er ook goede keuzes gemaakt voor het materiaal dat wordt gebruikt tijdens activiteiten en vrij spel.

Er wordt gezorgd voor variatie in spelmateriaal:

  • materiaal waarmee verschillende ontwikkelingsgebieden worden aangesproken. Denk bijvoorbeeld aan verschillende soorten ballen en dergelijke voor de grove motoriek, kraaltjes, stiften en kwasten voor de fijne motoriek en de creatieve ontwikkeling en denkspelletjes voor de cognitieve ontwikkeling;
  • materiaal dat geschikt is voor de verschillende leeftijden van kinderen. Op veel speelgoed wordt al aangegeven voor welke leeftijd het speelgoed bedoeld is. Dat geldt ook voor materialen met een meer cognitief karakter, zoals spellen, puzzels en constructiemateriaal. De pedagogisch medewerker kan inschatten of iets geschikt is voor een kind;
  • prikkelend en uitdagend materiaal. Niet alleen bekend speelgoed zoals lego en barbies, maar ook speelgoed dat de fantasie prikkelt, zoals ‘ondefinieerbare’ materialen (dozen, wc-rollen, kokers, takken en dergelijke) en ‘echte’ materialen (bezem, hark, potten en pannen);
  • differentiatie in het materiaal: waarmee je alleen, in duo’s of met een kleine groep kunt spelen;
  • materiaal voor binnen en buiten.

10. Ondersteuning door anderen 

10.1 Scholing/coaching/ kwalificatie 

Wij hechten veel waarde aan goed personeel. Goed in de zin van opleiding en ervaring, maar ook

goed in de zin van enthousiast, gemotiveerd en gepassioneerd. Ouders mogen verwachten dat hun kinderen op een deskundige en vriendelijke wijze worden begeleid. De functie van de pedagogisch medewerker is een verantwoordelijke en veelomvattende functie. Dit vraagt om een goede basis van opleiding en ervaring. Conform de geldende wet- en regelgeving voldoen de pedagogisch medewerkers aan de vastgestelde opleidingseisen. De pedagogisch medewerkers zijn in het bezit van een gericht MBO diploma en hebben hun ontwikkelingsniveau verhoogd door middel van werkervaring en diverse opleiding. Alle taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van iedere functionaris, zijn vastgelegd in een functieomschrijving.

10.2 Beleid en thema’s 

Tijdens teamvergaderingen wordt aandacht besteed aan de implementatie van beleid en het borgen van beleid. Of er wordt aandacht besteed aan een specifiek thema in het kader van pedagogisch handelen. Studiedagen met onderwerpen die interessant zijn voor school én kinderopvang worden ’s avonds georganiseerd. Regelmatig worden de medewerkers bijgeschoold op zowel pedagogisch gebied als ook op hun vaardigheden m.b.t. communicatie, brandpreventie, ziekte en ongevallen, enz. Het pedagogisch handelen, de organisatie en uitvoering in de praktijk en de aansturing van dit alles zijn onderwerpen die in bestuursvergaderingen en/ of bijeenkomsten aan de orde komen.

10.3 Zorg delen 

Wanneer kinderen opvallen in onze opvang zal dit altijd met ouders worden gesproken. De pedagogisch medewerker wordt daarom betrokken bij de bespreking in het zorgteam wanneer het kind gebruik maakt van de BSO. Dit alleen met toestemming van ouders, die zelf ook deel nemen aan de bespreking. Het betekent dat op deze manier binnen onze opvang zowel leerkrachten als pedagogisch medewerkers geadviseerd en gesteund kunnen worden bij eventuele verlegenheid in de omgang met kinderen. Dit kan bijvoorbeeld ook bij de overgang van dagopvang naar school, wanneer blijkt dat een kind een extra of specifieke ontwikkelvraag heeft. Als het nodig blijkt wordt er contact opgenomen met Centrum Jeugd en Gezin of andere hulpverlenende instanties.

10.4 Contact met ouders 

Wat ouders en SPELENDERWIJS bindt is de zorg en aandacht voor hun kinderen. Ouders zijn de eerstverantwoordelijken voor de opvoeding van hun eigen kinderen. Binnen de kinderopvang worden kinderen begeleid volgens de in onze organisatie afgesproken pedagogische visie. Op die manier leveren wij een bijdrage aan de opvoeding van kinderen. We streven naar een optimale informatie uitwisseling met ouders. Openheid en eerlijkheid staan daarin voorop.

11. Openingstijden 

We bieden kinderopvang voor kinderen van 0-13 jaar en richten ons uitsluitend op kinderopvang in samenwerking met een basisschool van IJsselgraaf. Per (school)locatie wordt het gehele pakket van opvangmogelijkheden aangeboden of een deel. Dat is afhankelijk van de wensen van de school, de ouders en de mogelijkheden die er zijn in het gebouw en/of de omgeving.

11.1 Openingstijden opvang 

De openingstijden van de opvang en de buitenschoolse opvang worden afgestemd op de lestijden van de scholen. Per locatie zijn er dus andere openingstijden, deze kunt u terugvinden in de tabellen voor openingstijden en tarieven per locatie.

  1. Voorschoolse opvang: tussen 07.30 en 08.30 uur. Uw kind kan dan naar de locatie komen en heeft dan de mogelijkheid om vrij te spelen onder begeleiding van een pedagogisch medewerker. Indien gewenst bieden wij ook verlengde opvang vanaf 07.00 uur.
  2. Naschoolse opvang: afhankelijk van de lestijden van de school. Zie per locatie welke tijden worden aangeboden.
  3. Dagopvang: we bieden dagopvang van 7.30 tot 18.00 uur

12. Aanmelden en wennen 

12.1 Aanmelden 

Ouders kunnen zich melden bij de directeur van de locatie. Na inschrijving en betaling van het inschrijfgeld is de aanmelding compleet. Ongeveer één maand voor de startdatum van de opvang wordt de ouder/verzorger gebeld door de locatie om een welkomstgesprek in te plannen ongeveer 2 weken voor aanvang van de opvang. Tijdens dit welkomstgesprek wordt een aantal punten besproken die van belang zijn voor de opvang van het kind, deze punten worden genoteerd. Wat in ieder geval duidelijk vastgelegd wordt is het dagritme van het kind, de voedingsgewoontes, evt. allergieën of andere zorg die nodig is en contactgegevens van de ouders/verzorgers voor noodgevallen. We vertellen ouders over de dagindeling, gewoonten en regels en activiteiten die gedaan worden. Tijdens het welkomstgesprek worden er ook afspraken gemaakt over het wennen van het kind en een wenschema opgesteld. En er wordt uiteraard kennisgemaakt met de pedagogisch medewerkers op de betreffende groep(en).

12.2 Wennen 

Hoe we het wenschema invullen is afhankelijk van de leeftijd van het kind, het karakter en de mate waarin het kind zich over het algemeen op zijn gemak voelt bij nieuwe mensen. Een wenschema betekent altijd dat het gaat om de invulling van ongeveer twee dagdelen en dan gaat het om een bepaald aantal uren.

Tijdens de wendagen vragen wij ouders om bereikbaar te zijn, zodat de pedagogisch medewerkers eventuele aanvullende vragen kunnen stellen, of kunnen overleggen over hoe het gaat. Wanneer het wennen nog moeilijkheden oplevert, dan kunnen er in overleg aanvullende wenafspraken gemaakt worden. Op de wendagen wordt extra op het kind gelet, het kind wordt extra begeleid en er is een plaats voor het kind gereserveerd met een haakje aan de kapstok, een naam op een stoeltje etc. De pedagogisch medewerker draagt zorg voor de kennismaking met alle nieuwe kinderen en volwassenen.

12.3 Wennen voor kinderen die doorstromen naar een andere groep 

Kinderen die de leeftijd hebben om door te stromen naar een andere groep of naar de BSO gaan 2-4 keer wennen op de andere groep, waarbij de aanwezigheid op de andere groep wordt opgebouwd. De vaste pedagogisch medewerker gaat in eerste instantie mee naar de andere groep. De tijd die het kind daar doorbrengt wordt in vier keer opgebouwd en de tijd dat de eigen pedagogisch medewerker meegaat wordt afgebouwd. Er wordt altijd gekeken naar de behoefte van het kind, bij het wennen. Mochten hier aanpassingen op nodig zijn, dan wordt de wenperiode eventueel verlengd. Ouders hoeven hierbij niet aanwezig te zijn, zij kunnen desgewenst wel een bezoekje aan de nieuwe groep brengen. 21

13. Afnemen van opvang 

13.1 Incidentele opvang 

Voor die ouder(s) of verzorger(s) die op onregelmatige tijden werken en daarom niet op vaste dagen of vaste uren opvang willen afnemen bieden wij incidentele opvang. U kunt hierbij denken aan wisselende dagen en uren. In overleg proberen wij altijd om opvang mogelijk te maken, mits dit past binnen ons programma en de betreffende locatie. Incidentele opvang is ook bedoeld voor mensen die normaal geen kinderopvang hebben, maar in bepaalde situaties toch graag gebruik zouden willen maken van de opvang. De incidentele opvang is enkel mogelijk na overleg. Voor deze vorm van opvang gelden andere uurtarieven dan voor de reguliere opvang, afhankelijk van uw wensen en onze mogelijkheden. U kunt bij incidentele opvang gebruik maken van een strippenkaart.

U kunt informeren naar de mogelijkheden voor incidentele opvang bij de directeur van de betreffende locatie. Het is namelijk afhankelijk van de beschikbare plaats, de aanwezigheid van voldoende pedagogisch medewerkers en de samenstelling van de groep.

13.2 Extra dagdelen 

Ouders kunnen extra dagen/dagdelen opvang aanvragen bij de locatie. Hierbij kan zowel sprake zijn van het ruilen / inhalen van dagen of het aanvragen van extra dagen. We hebben hier spelregels voor om de rust op de groep en de belangen van de kinderen van de groep te bewaken.

Omdat een kind bij een extra dag(deel) wordt opgevangen in een andere stamgroep/basisgroep kan dit zowel voor het kind zelf als voor de andere kinderen op de betreffende groep onrust veroorzaken. Het is de taak van de pedagogisch medewerker om dit in goede banen te leiden. In de praktijk geeft dit over het algemeen geen problemen, maar het is goed hier alert op te zijn. Omdat we werken met kleine groepen kunnen we hier goed op anticiperen.

Extra dagdelen opvang is mogelijk mits:

  •  er ruimte is op de groep
  •  de samenstelling van de groep dit toelaat
  •  er geen inzet van een extra pedagogisch medewerker nodig is.

14. Procedures en reglementen 

14.1 Privacyreglement 

In het totale proces van inschrijvingen plaatsing komen medewerkers eventueel in contact met privacygevoelige informatie. Te denken valt hierbij aan persoonsgegevens, informatie omtrent personen (zowel kinderen als gezinsleden), enz. Het registreren en inzien van deze informatie is noodzakelijk voor een goede opvang en/of is vereist vanuit de weten regelgeving. Vanzelfsprekend zullen de medewerkers zeer zorgvuldig met deze informatie omgaan en zich hierbij houden aan het privacyreglement, zoals dat binnen de organisatie wordt gehanteerd.

14.2 Klachtenreglement 

Soms kunnen de belangen van ouders en medewerkers van de opvang met elkaar in botsing komen. Wanneer een ouder/verzorger een klacht heeft, moet de opvang erop gericht zijn het signaal goed op te vangen en ervoor zorgen dat er op korte termijn actie wordt ondernomen om tot een oplossing te komen.

Het beleid ten aanzien van het omgaan met en de behandeling van klachten staat beschreven in het klachtenreglement.

14.3 Protocol kindermishandeling en huiselijk geweld 

Iedere organisatie welke werkt met kinderen heeft vanuit de wetgeving de verplichting om een protocol Kindermishandeling en huiselijk geweld te hanteren. Kindermishandeling betreft niet alleen fysieke mishandeling, maar ook geestelijke mishandeling, seksueel misbruik en verwaarlozing. In het protocol is een stappenplan opgenomen, waarin de volgende fases aan bod komen: vermoeden, overleg, plan van aanpak, beslissen, handelen, evaluatie en nazorg. Ook is in een aparte bijlage opgenomen hoe te handelen in de mogelijke situatie dat een beroepskracht de vermoedelijke dader is.

14.4 Opzegtermijn 

Wij hanteren een opzegtermijn van 1 maand. Op elk moment van de maand kunt u opzeggen.